Skip to content
Jaarboek voor de geschiedenis van arbeidersbewegingen en socialisme in Nederland

Blogpost: Ad Knotter – Bij een foto: ‘Handen af van het stakingsrecht’

Ook een blogpost publiceren, of reageren op onderstaand stuk? Dat kan – stuur een bijdrage in via informatie@arbeidersgeschiedenis.nl.

Bij een foto: ‘Handen af van het stakingsrecht’
Ad Knotter


In de aankondiging van het initiatief voor het Jaarboek voor de Geschiedenis van Arbeidersbewegingen en het Socialisme door redactielid Marieke Dwarswaard op de website ‘Over de Muur’ plaatste zij een foto met als onderschrift ‘Stakende bouwvakarbeiders verschijnen voor de rechtbank aan de Prinsengracht, 1964’. Achter de foto schuilt een bijzondere en inzichtelijke geschiedenis: de afgebeelde staking legt bloot dat het stakingsrecht in het Nederland van 1964 de jure niet bestond, en dat alleen de actieve machtsvorming van arbeiders – ook in het naoorlogse Nederland – dit recht kon afdwingen.

Staking bij bouwbedrijf Van der Vorm

In 1964 ontstonden er verschillende arbeidsconflicten in Amsterdam, met name bij de scheepswerf NDSM en in de bouw, over de verwerking van de gebruikelijke tarieflonen in de reguliere loonsverhogingen in de cao’s in het kader van de zogeheten loonexplosie [Knotter 2021]. Het betekende een verlaging van de tarieven, en bouwvakkers op verschillende objecten gingen daar niet mee akkoord. Eind mei 1964 braken er stakingen uit, onder meer bij de bouw van flats aan de Sloterplas door het Rotterdamse aannemingsbedrijf Van der Vorm. Na twee weken werd overeenstemming bereikt over een compensatie. Daarover ontstonden echter problemen door verscherpte controles van de loontechnische dienst. Dertig controleurs van die dienst zouden met vage verhalen, en zonder te zeggen wie zij waren, zijn binnengedrongen bij de vrouwen van personeelsleden van Van der Vorm en op die manier alles over de salarissen te weten zijn gekomen.

Uit angst voor een veroordeling trok Van der Vorm daarop zijn eerdere toezeggingen in. De directie verklaarde het hogere bedrag niet te kunnen uitbetalen, omdat anders de looncontroledienst zou ingrijpen. Uit protest daartegen legden ongeveer 120 arbeiders aan de flatbouw bij de Sloterplas op 22 september het werk voor 24 uur neer. Toen de actie na 24 uur geen resultaat had opgeleverd, werd de staking voor onbepaalde tijd voortgezet. Van der Vorm reageerde door een proces tegen de stakers aan te spannen wegens ‘uitlokking van een economisch misdrijf’. De aannemer voelde zich klem gezet tussen de stakers en justitie: ‘Ze [de stakers] hebben mij hiermee het pistool op de borst gezet, want ze weten dat ik strafrechtelijk word vervolgd als ik aan hun wensen tegemoet kom’. Volgens Rotterdammer Van der Vorm waren…

…de Amsterdamse bouwvakken door en door ziek. De mentaliteit, die daar heerst ben ik nergens tegengekomen en het gaat van kwaad tot erger, wanneer niet wordt ingegrepen. Het is toch te gek om los te lopen, dat de eerste de beste tot een staking oproept en dat de boel dan ook maar plat ligt.

De stakers bij Van der Vorm werden gesteund door het Amsterdamse Bouwvakactiecomité, dat was opgezet door de communistische Algemene Bond van Werkers in het Bouwbedrijf (ABWB), de enige bond van de vroegere Eenheids Vak Centrale (EVC) die na de opheffing daarvan was blijven voortbestaan. De ABWB en het Bouwvakactiecomité zouden in juni 1966 bekendheid verwerven door het zogenoemde ‘bouwvakkersoproer’, waarin ook Provo een rol speelde.

Rechter Stheeman verbiedt de staking bij Van der Vorm

Van der Vorm diende een aanklacht in tegen 90 stakers, die op 13 oktober 1964 werden voorgeleid in een soort monsterproces. Verdeeld in drie groepen van 30 man namen de aangeklaagde stakers achtereenvolgens plaats in de zaal van de rechtbank. Voorafgaand en tijdens het kort geding demonstreerden 400 bouwvakkers van allerlei bedrijven bij de rechtbank aan de Prinsengracht onder de leus ‘Handen af van stakingsrecht’ [zie de hierboven gepubliceerde foto]. Ter zitting bleek dat het kort geding in nauw overleg met de officier van justitie, de looncontroledienst en de samenwerkende patroonsverenigingen aanhangig was gemaakt. Op 20 oktober 1964 deed de president van de rechtbank U. W. H. Stheeman uitspraak. Onder verwijzing naar het zogeheten Panhonlibco-arrest van de Hoge Raad van 15 januari 1960, waarin staking tot ‘wanprestatie’ was verklaard [Van den Berg, Fortuyn en Jaspers 1978], oordeelde hij dat dit in principe gold voor alle werkweigering in collectief verband. Zelfs als werknemers oprecht reden tot klagen zouden hebben, was een staking niet geoorloofd, omdat voor hen altijd de weg naar de rechter openstond. De stakers bij Van der Vorm trokken zich niets van het vonnis aan, sterker, het leidde alleen maar tot verdere escalatie. Dat de betekening van het vonnis bij de individuele stakers onder politiebegeleiding plaatsvond verbeterde de stemming niet. Het Parool vernam in ‘bouwarbeiderskringen’…

…dat het in een groot deel van de arbeiderswereld totaal verkeerd zal uitpakken, wanneer Van de Vorm tot inning of executie van de dwangsommen zal overgaan. De arbeiders, en niet alleen in de bouw, zullen in verzet komen. Van de Vorm moet er op rekenen dat dan ook zijn andere werken in het land plat gaan, zo gaven deze kringen als commentaar.

De staking bij Van der Vorm werd pas een maand later, op 24 november 1964, beëindigd. Op 17 november had Van der Vorm nog een mislukte poging gedaan de staking op de flatbouw aan de Sloterplas te breken door een ploeg van 35 Brabanders aan het werk te zetten, zodat er tenminste één flat voor de winter af zou worden gemaakt. Maar de stakingsleiding haalde de Brabanders over het werk te staken en terug te keren naar waar zij vandaan kwamen. Op 24 november 1964 koos Van der Vorm eieren voor zijn geld. Met de stakingsleiding werd ‘volledige overeenstemming’ bereikt over de uit te betalen lonen. Verder werd overeengekomen dat het nog steeds van kracht zijnde vonnis niet ten uitvoer zou worden gelegd en dat de kosten van het kort geding voor rekening van het bedrijf kwamen.

Stheeman en het stakingsrecht

De episode is interessant omdat hij duidelijk maakt dat er in Nederland als gevolg van het Panhonlibco-arrest de jure geen stakingsrecht bestond, en dat dit de facto alleen door machtsvorming van arbeiders kon worden afgedwongen. In de antistakingsjurisprudentie speelde de Amsterdamse rechtbankpresident Stheeman een hoofdrol. Al in 1958 had hij enkele stakingen onrechtmatig verklaard. Op 28 maart 1958 had Stheeman in een vonnis over een staking van een tiental schilders over het uitbetaalde tarief ontkend dat er zoiets als een stakingsrecht bestond. Op 1 november volgde een vonnis tegen een heiersstaking en op 29 november een uitspraak in eerste aanleg in het Panhonlibco-proces. Het betrof een zaak van de Scheepvaartvereniging Noord tegen een boycotactie van de vakbonden van onder goedkope vlag varende schepen. Panhonlibco stond voor Panama, Honduras, Liberia en Costa Rica.

Een staking werd door Stheeman als een ‘wanprestatie’ en een oproep tot staken als ‘onrechtmatige daad’ gezien. Een staking moest volgens hem beoordeeld worden naar de regels van het verbintenissenrecht. Zijn oordeel over ‘wanprestatie’ (het zou gaan om contractbreuk van de individuele werknemer) en ‘onrechtmatige daad’ was hieruit afgeleid. De begrippen wanprestatie en onrechtmatige daad in verband met stakingen waren ontleend aan het in 1957 ‒ dus kort voor bovengenoemde Stheeman-vonnissen ‒ verschenen tweede deel van het driedelige handboek Arbeidsrecht van de Leidse hoogleraar (1952-1958) A.N. Molenaar [Molenaar 1957]. ‘De staking wordt thans algemeen gezien als een geoorloofd strijdmiddel van de vakbeweging; doch zij blijft o.i. als wanprestatie een onrechtmatig handelen’, schreef hij. Molenaar was tevens fractievoorzitter van de VVD in de Eerste Kamer en van 1940 tot 1952 vicevoorzitter van het Verbond van Nederlandsche Werkgevers. Zijn opvatting over het stakingsrecht werd in deze Stheeman-vonnissen voor het eerst toegepast in de rechtspraktijk.

Tegenstrijdigheid van Stheemans uitspraak in de Panhonlibco-zaak met die van zijn Rotterdamse collega Reuder in een door de Scheepvaartvereniging-Zuid aangespannen kort geding, leidde via een hoger beroep waarin het oordeel van Reuder werd bevestigd (arrest gerechtshof ’s-Gravenhage 17 april 1959), tot een arrest van de Hoge Raad op 15 januari 1960, waarin de opvattingen van Stheeman werden onderschreven en leidend werden in de jurisprudentie. En dus ook in het door Stheeman zelf uitgesproken vonnis in de zaak Van der Vorm. Is het een wonder dat het communistische dagblad De Waarheid naar aanleiding van een in 1965 door Stheeman uitgesproken stakingsverbod tegen taxichauffeurs schreef: ‘In de toga van Amsterdamse rechtbankpresident gaat een fervent tegenstander van het stakingsrecht gekleed’? Het is verleidelijk om zijn consequente antistakingshouding in verband te brengen met zijn elitaire afkomst: Stheeman kwam uit een familie van juristen en ondernemers (het farmaciebedrijf Brocades-Stheeman te Meppel).

De Scheveningse vissersstaking en het stakingsrecht

De uitspraak van Stheeman in de zaak-Van der Vorm was niet het enige stakingsverbod in 1964. Van meer invloed, in de zin dat het meer reacties uitlokte, was het op 13 januari 1964 uitgesproken vonnis van de Haagse rechtbankpresident Jhr. Mr. G. Witsen Elias (met een al even elitaire achtergrond als Stheeman) tegen een op 2 januari 1964 begonnen staking van Scheveningse vissers. Een bijzonderheid van deze staking was dat die was uitgeroepen door de bij het Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties (OVB) aangesloten Bedrijfsorganisatie van Zeevarenden (BVZ). Door de niet aflatende inzet van de charismatische voorzitter van deze bond, Jaap Koning [Den Heijer z.j.], had die onder de ca. 1800 Scheveningse vissers met 800 leden een grotere aanhang dan de 240 van de bij het NVV aangesloten Centrale van Zeevarenden ter Koopvaardij en Visserij (CKV) en de 60 van de Christelijke Bedrijfsgroepen Centrale (CBC). Het door de BVZ gevormde stakingscomité omzeilde het gerechtelijk verbod door de verantwoordelijkheid voor de organisatie formeel over te dragen aan een aparte stichting en een nieuw comité samen te stellen. Na ruim zeven weken kon de staking op 21 februari 1964 worden beëindigd met een complete overwinning. Die kon alleen worden behaald omdat het gerechtelijk stakingsverbod door de stakers werd genegeerd en de daarbij opgelegde dwangsom niet werd of kon worden opgeëist.

De vraag wat dit voor het stakingsrecht betekende werd gedurende en na de staking van verschillende zijden aan de orde gesteld. Voor PvdA-Tweede Kamerlid en oud-NVV medewerker juridische zaken Hannie Singer-Dekker was de staking aanleiding om bij de ministers van justitie en van sociale zaken aan te dringen ‘op een spoedige en bevredigende regeling van het stakingsrecht’. Aan de andere kant van het politieke spectrum noemde KVP-er Jhr. Mr. P. G. M. van Meeuwen in de Eerste Kamer ‘de kortelings beëindigde staking van vissers in Scheveningen een bedenkelijk verschijnsel’, omdat ‘een uitspraak van de president van de Haagse rechtbank in kort geding werd genegeerd’. Voor justitieminister Y. Scholten was het reden om het bestuur van de Stichting van de Arbeid te vragen versneld met een advies over de regeling van het stakingsrecht te komen. Het Stichtingsbestuur bracht een verdeeld advies uit. De werkgeversvertegenwoordigers vonden een wettelijke regeling overbodig; de vakcentrales waren daar wel voorstanders van.

In oktober 1964 waren de ‘telkens hernieuwde aanvallen op en ondergraving van het stakingsrecht, recentelijk in het kort geding tegen Nederlandse vissers en het OVB’ voor Herman Drenth, oud-redacteur van het recent opgeheven blad Socialistisch Perspectief, reden om een Comité ter verdediging en herstel van het stakingsrecht op te richten [Drenth 1966]. De overige leden kwamen uit links-socialistische hoek. Herman Drenth was sinds 1952 lid van de PvdA en zou  zich blijven inzetten voor het stakingsrecht, onder meer als PvdA-kamerlid (1973-1979). Het jaar daarop sprak de Amerikaan John Windmuller, die toen bezig was met het onderzoek voor zijn in 1969 gepubliceerde studie van de Nederlandse arbeidsverhoudingen [Windmuller 1969], zijn verbazing uit over het ontbreken van stakingsrecht in Nederland. Hij noemde de redenering ‘dat een vakbond die een staking uitroept, zijn leden aanzet tot het plegen van wanprestatie’ een verouderde opvatting, die ‘men in vrijwel geen ander democratisch land tegenkomt’.

Het einde van de Panhonlibco-periode in het stakingsrecht

De laatste keer dat naar het Panhonlibco-arrest werd verwezen was in een vonnis van Stheeman tegen een door de Industriebond NVV uitgeroepen metaalstaking op 3 februari 1972. Ook in dit geval trokken de stakers zich niets van het vonnis aan: op eigen initiatief werd er in tal van metaalbedrijven, vooral in de regio’s Amsterdam en Rotterdam, doorgestaakt, tot er een voor de Industriebond aanvaardbaar compromis was bereikt. In hoger beroep werd het vonnis van Stheeman op 13 april 1972 vernietigd. Volgens het Amsterdamse gerechtshof bleek uit een in 1969 ingediend wetsontwerp stakingsrecht dat de ‘rechtsovertuiging’ over de werkstaking sinds het Panhonlibco-arrest was veranderd. Dit ontwerp, ‘houdende wettelijke bepalingen met betrekking tot de werkstaking’, was na een lange voorbereidingstijd op 29 april 1969 onder nummer 10.111 ingediend door de ministers C.H.F. Polak (VVD, justitie) en B. Roolvink (ARP, sociale zaken). In deze ontwerp-stakingswet werd het recht op collectieve werkweigering in beginsel erkend, maar tegelijk beperkt tot het optreden van de ‘erkende’ vakorganisaties in cao-onderhandelingen en door niet nader omschreven ‘in het maatschappelijke verkeer gangbare normen van zorgvuldigheid’. Critici ter linkerzijde kwalificeerden het ontwerp  als een ‘antistakingswet’. Door oplopende tegenstand van zowel de vakbeweging als de werkgevers ontstond er steeds meer aarzeling bij de wetgever en lukte het niet om dit ontwerp tot wet te verheffen.

Al vóór het Panhonlibco-arrest door de uitspraak van het Amsterdamse gerechtshof ten grave was gedragen, begonnen rechters zich op de ontwerp-stakingswet te beroepen om stakingen te verbieden wegens ‘onzorgvuldigheid’. Ook in diverse daarna aangespannen korte gedingen was dat het geval. De ontwerpwet verschafte rechters een soort alibi om zich over de rechtmatigheid van stakingen uit te spreken en zich zo te mengen in arbeidsconflicten, hoewel daar geen wettelijke basis voor was. Daardoor ontstond de merkwaardige situatie dat er in de jaren 1970 jurisprudentie werd gebouwd op een wetsontwerp dat niet door het parlement was goedgekeurd. Er was uiteindelijk Europese regelgeving in het Europees Sociaal Handvest voor nodig om ook in Nederland een vorm van stakingsvrijheid vast te leggen [Van den Bergh e.a. 1978]. Artikel 6.4 van het Handvest erkende ‘het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht’. Het uit 1961 daterende Handvest werd pas in 1978 door beide Kamers aanvaard en pas in 1986 door een arrest van de Hoge Raad leidend in de Nederlandse jurisprudentie over het stakingsrecht.

Literatuur

Harry van den Berg, Pim Fortuyn, Teun Jaspers, De ontwikkeling van het stakingsrecht in Nederland (Nijmegen 1978).

H. H. Drenth, Het stakingsrecht [Uitg. van het Komité tot Verdediging en Herstel van Stakingsrecht] (z.p. z.j.[1966]). De brochure werd in 1969 herdrukt door het Nijmeegs juridies studentenblad M.M. (Morgen Meester) en in 1971 door de Socialistische Uitgeverij Nijmegen.

Marja den Heijer, ‘De Bond van Jaap Koning’, in: Richard Kleinegris en Roel Wuite (red.), Tesamen solidair in alle hoeken. Haagse vakbondsactiviteiten en –activisten sinds de 18e eeuw (Den Haag z.j.) 173-199.

Ad Knotter, ‘Geen makke schapen. Loonpolitiek, vakbonden en “wilde” stakingen in de aanloop naar de loonexplosie van 1964’, Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 18 (2021) 73-108.

A.N. Molenaar, Arbeidsrecht [3 dln.] (Zwolle 1953 en 1957).

John P. Windmuller, Labor Relations in the Netherlands (Ithaca NY 1969).